Wie deze weken over de heide rond Ede loopt, ziet zowel velden die paars kleuren als veel bruine en verdorde heidestruiken. De droogte laat zich deze zomer duidelijk zien, maar de Veluwe kampt al veel langer met verdroging, verzuring en stikstof.
Volkskrant-journalist Caspar Janssen trok deze zomer door de Veluwe en bezocht daarbij ook de Ginkelse Heide, Planken Wambuis, Otterlo, Lunteren en Nationaal Park De Hoge Veluwe.
Op de Ginkelse Heide treft hij een grotendeels geel, vergrast heideveld aan, met hier en daar nog wat struikheide. Vlinders ziet hij er niet.
Chris van Swaay, al meer dan dertig jaar coördinator van het landelijke Meetnet Vlinders, vertelt dat de heivlinder op de Veluwe nog op ongeveer 1 procent zit van het aantal dat dertig jaar geleden werd geteld. Twintig jaar geleden zag hij soms tientallen exemplaren op één pol struikheide. Nu is dat volgens hem onvoorstelbaar.
Door de droogte vinden rupsen minder voedsel en vlinders minder nectar. Door het teveel aan stikstof verdwijnen geschikte planten en groeien open zandige plekken dicht.
Rond Ede extra kwetsbaar
De westelijke Veluwe is volgens Van Swaay extra kwetsbaar. De arme zandgrond biedt weinig weerstand tegen verzuring, terwijl direct daarnaast de intensieve veehouderij van de Gelderse Vallei ligt.
Vanaf de Ginkelse Heide richting Planken Wambuis, De Hoge Veluwe en verder naar het oosten ziet Van Swaay geleidelijk meer vlinders. Daar zitten plaatselijk leemlagen in de ondergrond en is de bodem kalkrijker.
Dat maakt de omgeving van Ede kwetsbaar: hier komen de voedselarme zandgronden van de Veluwe en de intensief gebruikte Gelderse Vallei bij elkaar.
De Otterlose ecoloog Arnold van den Burg beschreef drie jaar geleden bij de Edese Vos wat dat voor de natuur rond Ede betekent. Door verzuring verdwijnen voedingsstoffen uit de bodem. Planten krijgen een andere voedingswaarde, insecten krijgen het moeilijker en vervolgens worden ook vogels geraakt. Hij noemde onder meer het valkruid, dat vroeger op de Ginkelse Heide voorkwam, en een lange reeks vlinders, vogels en planten die sterk zijn achteruitgegaan.
De Edese natuurfotograaf Eric Wander dook vervolgens voor de Edese Vos in zijn fotoarchief. Hij bracht een aantal van die kwetsbare soorten in beeld. Daarmee wordt concreet wat met biodiversiteitsverlies en verschraling wordt bedoeld: planten en dieren die vroeger bij het Edese landschap hoorden, worden zeldzaam of verdwijnen.
Een paarse heide kan toch arm zijn
Op De Hoge Veluwe onderzoekt ecoloog Joost Vogels hoe aangetaste heide kan worden hersteld. Een ecologisch waardevolle heide bestaat uit veel meer dan struikheide. Er groeien tientallen soorten planten en leven vlinders, bijen en andere insecten, die weer voedsel zijn voor vogels.
Dat maakt het uiterlijk bedrieglijk. Een heideveld kan paars kleuren en er voor een bezoeker gezond uitzien, terwijl een groot deel van die soortenrijkdom al verdwenen is.
Experimenten met steenmeel laten zien dat herstel mogelijk is. Op een proeflocatie keerden kruiden terug en verdrievoudigde de insectenstand. Volgens Vogels zijn zulke maatregelen alleen echt zinvol als ook de stikstofbelasting wordt teruggedrongen. Zelfs als de stikstofdepositie nu volledig zou stoppen, kan het nog tientallen jaren duren voordat de natuur zich heeft hersteld.
Ook dat is rond Ede geen theoretisch probleem. Van den Burg mat in 2023 in de oude beukenbossen van het Edese Bos een pH van rond de 2,9. De natuurlijke buffer tegen verzuring bleek daar verdwenen. Ede had toen al 385 hectare bos en heide met schelpgruis laten bestrooien om de bodem te herstellen.
Ook het grondwater daalt
Ook onder de grond laat de droogte zich voelen. Na de uitzonderlijk natte jaren 2023 en 2024 daalt het grondwater weer en vallen op de Veluwe opnieuw beken droog. Onder de Veluwe ligt een enorme voorraad zoet grondwater, waaruit ook wordt geput voor drinkwater, landbouw en industrie. In droge perioden neemt bovendien de vraag naar grondwater voor beregening toe.
De ruimte om op de Veluwe meer drinkwater te winnen is beperkt. Vitens zoekt daarom ook buiten de Veluwe naar nieuwe winningsmogelijkheden. Bij Driel, ten zuiden van de Nederrijn, onderzoekt het waterbedrijf uitbreiding van de grondwaterwinning. Een nieuwe leiding van Driel naar Hoekelum moet helpen het drinkwater beter over de regio te verdelen.
Wat je niet meer ziet
Misschien is dat wel het lastigste aan de achteruitgang van de Veluwe: wie er nu wandelt, weet niet vanzelfsprekend wat er dertig jaar geleden nog leefde.
Van Swaay zag destijds op een klein stukje van De Hoge Veluwe honderden grote parelmoervlinders en duinparelmoervlinders. De laatste soort is inmiddels helemaal van de Veluwe verdwenen; de grote parelmoervlinder ziet hij nog maar sporadisch.
Voor Ede stelde Van den Burg drie jaar geleden dezelfde vraag veel concreter: waar kun je kinderen nog baardmossen laten zien of de zomertortel laten horen? Waar zijn de wielewaal, grote parelmoervlinder en het valkruid gebleven?
Dat zijn soorten die je niet mist als je niet weet dat ze er ooit waren. Een paarse Ginkelse Heide kan voor een wandelaar nog altijd prachtig zijn.
Deze zomer is een deel van de achteruitgang wel zichtbaar. Tussen de paars bloeiende heide staan rond Ede ook veel bruine en verdorde struiken. Maar de reportages van de Volkskrant laten zien dat de verschraling veel verder gaat dan wat je met het blote oog ziet. Veel planten, vlinders en andere insecten zijn in enkele tientallen jaren sterk achteruitgegaan of verdwenen.
Verder lezen
- Het stikstofprobleem is om gek van te worden! – ecoloog Arnold van den Burg over de gevolgen van stikstof voor planten, insecten en vogels rond Ede.
- De meest kwetsbare flora en fauna van Ede – natuurfotograaf Eric Wander bracht een aantal van de bedreigde soorten in beeld.
- Edese Bos net zo zuur als cola, veel erger dan gedacht – over de verzuring van de bodem en het natuurherstel in Ede.






Waarom wordt er geen water gewonnen uit rivieren? Er wordt zelfs water gewonnen uit rioolwater! Hoe werkt dat? Het klinkt alsof bossen en de heide het water zelf nodig hebben? Het zal wellicht nog warmer worden komende jaren…
Dat rivierwater niet overal en altijd wordt gebruikt, heeft vooral te maken met kwaliteit en beschikbaarheid. Rivierwater bevat meer vervuiling en moet daarom intensiever gezuiverd worden. Bij langdurige droogte en lage rivierstanden kan de kwaliteit bovendien zo slecht worden dat waterbedrijven tijdelijk minder of geen rivierwater kunnen innemen.
Het idee dat we “rioolwater drinken”, is niet helemaal juist. Rioolwater wordt op de zuiveringsinstallatie gezuiverd en weer geloosd op rivieren en beken. Drinkwaterbedrijven nemen vervolgens (verdund) oppervlaktewater in en zuiveren dat nog eens extra tot veilig drinkwater. Er loopt dus geen directe leiding van toilet naar kraan.
Bossen en heide hebben inderdaad water nodig. Veel drinkwater wordt uit grondwater gewonnen; als er te veel wordt onttrokken, daalt het grondwaterpeil en verdroogt de natuur. Daarom mogen waterbedrijven niet zomaar overal nieuwe putten slaan en moet er afgewogen worden tussen drinkwatervoorziening, landbouw en natuur.
Met vaker langere hittegolven en drogere zomers staat zowel grond- als oppervlaktewater onder druk. Dat vraagt om zuiniger gebruik, betere zuivering en slimme verdeling van het beschikbare water.
Door het verdwijnen van de gletsjers gaan ook de rivieren steeds meer opdrogen (en komt zout zeewater, steeds meer naar het binnenland). Dat zag je dit jaar ook.
Toen ik dit artikel las dacht ik onmiddellijk aan het ‘shifting baseline syndroom’. De basislijn van hoe wij de natuur zagen toen wij nog kind waren. Door de generaties heen verschuift deze basislijn. Toen wij nog in de Achterhoek woonden zagen en hoorden wij de Wulpen in de weilanden. Jaren later kwamen de Wulpen niet meer. Onze kleinkinderen zegt dat niets, die hebben dat nooit op natuurlijke wijze meegekregen. Hetzelfde gold voor de Gele Wiedemier. Over de verdwijnende natuur heeft Marc Argeloo een geweldig boek geschreven, “Natuuramnesie”. Een zorgelijke situatie voor ons allemaal.
Passanten op de heide
Wie deze weken over de Ginkelse Heide loopt, kan zijn ogen uitkijken. Het paars golft tot aan de horizon, de toeristen zijn verdwenen, en heel even lijkt de wereld weer precies zoals hij hoort te zijn. De heide is misschien wel het mooiste dat de Veluwe te bieden heeft; een landschap waar je stil van wordt.
Maar de grote vraag van deze droge zomer is niet “hoe redden we de heide?”. Ze is fundamenteler: willen we de natuur naar onze hand blijven zetten, het gevólg bestrijden, of leggen we de focus op de oorzaak: wat wíj uitstoten?
Wees eerlijk over waar die schoonheid vandaan komt. Onze paarse heide is geen oernatuur, maar het product van eeuwenlange roofbouw. Onze voorouders kapten de bossen, lieten schapen grazen tot de grond kaal was en staken de heideplaggen af om die, met de mest uit de potstal, over hun akkers te spreiden. Zo verhuisden de voedingsstoffen, plag voor plag, van de heide naar het bouwland. De grond mergelde uit, en zó kreeg struikheide haar kans; waar het echt misging, stoof het los tot zandverstuivingen. Onze trots is, zo bezien, een monument voor uitputting.
Die heide was er dus niet altijd, en als ze weer voor bos plaatsmaakt, is dat óók natuur. Neem ons geliefde Lunterse buurtbos: ooit open heide met stuifzand, tot notaris Van den Ham er in 1892 een bos liet planten. Zullen we dat bos dan maar weer kappen en “terugbrengen” naar die prachtige heide? De gedachte alleen al voelt als heiligschennis, en dat zegt genoeg. Ecologisch is heide geen eindpunt, maar een overgangsstadium, een plagioklimax, tussen kaal zand en bos. Laat je haar met rust, dan verbost ze. Toch houden we die verbossing met man en macht tegen. Zelfs in de duinen verhinderen we kunstmatig dat het bos naar de zee oprukt, ten koste van de heide. Maar dat oprukken ís wél een natuurlijk proces. Wie heeft ons gemachtigd om daar, in de vrije natuur, te gaan tuinieren?
Natuurlijk moeten we onze uitstoot (stikstof, verzurende stoffen, broeikasgassen, PFAS) tot een minimum beperken; daarover geen twijfel. Maar de krampachtige focus op “de heide redden” is zélf de natuur naar onze hand zetten, en leidt af van het echte probleem: onze eigen, ongebreidelde vervuiling.
En dan niet volgens de rekensom “bij zoveel procent net geen schade”. Zo werkt het niet. PFAS leek jaren onschuldig; pas veel later bleek de blijvende schade. De gevolgen kennen we meestal pas achteraf. Daarom telt maar één maatstaf: zodra we weten dát iets schadelijk kán zijn, moeten we streven naar het laagst mogelijke, gegeven de kennis van dat moment.
Niet omdat we het waarom kunnen uitrekenen, maar gewoon omdat het niet hoort. Als je ergens te gast bent, laat je die plek netjes achter. Waarom? Omdat die plek niet alleen van jou is. Wij zijn hier slechts passanten. En omdat niemand weet wanneer hij weer vertrekt, moeten we er élke dag goed voor zorgen.