‘Lokaal en duurzaam gecertificeerd hout’, beloven gemeente en warmtebedrijf. Maar wie controleert dat eigenlijk? Deel 2: de herkomst van de Amersfoortse warmte.
Wie op de website van de gemeente Amersfoort opzoekt hoe het zit met de biomassacentrales, wordt gerustgesteld. Het warmtebedrijf gebruikt “alleen lokaal en regionaal snoei- en resthout”, valt daar te lezen, en bij de verbranding komt “netto geen CO₂ vrij”. Twee zinnen, twee geruststellingen. In dit tweede deel van onze serie over de Amersfoortse warmtetransitie pellen we ze af – en wat overblijft is een systeem waarin niemand kan controleren wat er werkelijk wordt verbrand. Ook de gemeente niet.
Eerst iets over de bron van dit verhaal. Warmtebedrijf Amersfoort en Warmtebedrijf Ede vallen onder dezelfde holding, Energie voor Elkaar, inclusief de bedrijven die het hout aanleveren, versnipperen en opslaan. Wie de Amersfoortse biomassa wil natrekken, komt dus vanzelf in die gedeelde keten terecht. De afgelopen vier jaar heb ik mij daar als onderzoeksjournalist in vastgebeten – onderzoek waarvan de bevindingen tot nu toe vooral verschenen op de Edese Vos, het platform waarvan ik ook de redactie coördineer. Maar het gaat over de hele keten. Ook over het hout dat in Amersfoort werd verstookt.
De straal die bleef groeien
We beginnen bij dat woord ‘lokaal’. Toen de gemeenteraad in 2020 vragen stelde over de herkomst van het hout, antwoordde het college dat naar verwachting “meer dan 70%” van de biogrondstoffen uit een cirkel van maximaal 50 kilometer rond Amersfoort zou komen – en dat de herkomst “altijd herleidbaar” is dankzij certificering volgens de duurzaamheidsnorm NTA 8080. In een andere set raadsvragen uit datzelfde jaar was al sprake van 150 kilometer. En moederconcern Energie voor Elkaar hanteert op zijn eigen website inmiddels een straal van 500 kilometer, onder verwijzing naar een ‘Europese norm’ die opvallend genoeg alleen op die website te vinden is.
Van 50 naar 150 naar 500 kilometer: het begrip ‘lokaal’ rekte in een paar jaar op tot een cirkel die tot ver over de grens reikt. En het hout uit Schotland? Dat viel zelfs daar nog buiten – want ongecertificeerd. Wat gelijk bleef, was de tweede geruststelling: het is allemaal gecertificeerd, dus het zit wel goed. Maar wat garandeert zo’n certificaat eigenlijk?
Het terrein dat niet bestond
Die vraag werd in februari 2024 ineens heel concreet. Na een tip stuitte ik op een biomassaopslag in het Gelderse Hall, waar brand was uitgebroken in de metershoge stapels houtsnippers. Omroep Gelderland zocht na mijn publicatie uit hoe het met de certificering van dat terrein zat. Het antwoord: die was er niet. Sterker, certificeerder Normec QS wist niet eens dat de locatie bestond, terwijl het terrein al ruim een jaar in gebruik was en bij de jaarlijkse controles nooit was opgedoken.
Het warmtebedrijf reageerde laconiek: het terrein zou “bij de volgende certificeringsronde” alsnog worden meegenomen. Maar zo werkt het niet, corrigeerde de certificeerder zelf: een locatie moet vóóraf zijn goedgekeurd, achteraf legaliseren bestaat niet in het systeem. De snippers uit Hall waren toen al lang en breed verstookt – ook in Amersfoort, zoals we in deel één zagen: het bedrijf moest na eigen onderzoek toegeven dat 1 procent van de aanvoer in 2023 en 5,6 procent in 2024 niet gecertificeerd was.

‘Dat kunnen wij niet garanderen’
Hoe kan een compleet opslagterrein een jaar lang buiten beeld blijven bij de instantie die de duurzaamheid moet bewaken? Omdat het systeem heel anders werkt dan de geruststellende taal suggereert. Ik legde het voor aan Jorn Bronsvoort, technisch directeur van Normec QS – het bedrijf dat de certificering van de houtketen uitvoert. Zijn antwoorden verdienen het om rustig gelezen te worden.
Wie betaalt de controle? De gecontroleerde zelf. “Onze kosten worden gedekt door de certificaathouder,” aldus Bronsvoort. “Dat is de manier waarop privaat toezicht werkt in Nederland.” Doet de afstand ertoe? Nee: de biomassa kan “in principe” overal vandaan komen, zolang de CO₂-berekening van het transport maar klopt. Moet de leverancier weten waar zijn hout vandaan komt? Ook niet per se: wie gecertificeerde partijen inkoopt van anderen, hoeft de oorsprong zelf niet te kennen – “als ze het maar inkopen met een certificaat.” Mag er niet-gecertificeerd hout de ketel in? Jawel. “Niet alles hoeft gecertificeerd te zijn,” legde Bronsvoort uit. Het draait om de claim: wie beweert dat álles gecertificeerd is, moet dat in de boeken kunnen aantonen. “Daar zit de crux.”
Voorkom je met zo’n certificeringssysteem fraude? “Wij kunnen dat niet garanderen. Op het moment dat iemand bewust fraude pleegt en een dubbele boekhouding voert, dan kan het zijn dat wij dat niet vinden.” Waarbij Bronsvoort nadrukkelijk niet suggereerde dat dit bedrijf dat doet. De herkomstgegevens? Die zijn vertrouwelijk. Het onderzoeksrapport naar de kwestie-Hall? “Dat zal door ons zeker niet openbaar worden gemaakt.” En of de burger kan weten waar de warmte in zijn radiator vandaan komt: “Het Better Biomass-certificatieschema is hierop niet ingericht.”
In gewoon Nederlands: het certificaat is een administratieve controle, betaald door het bedrijf zelf, met vertrouwelijke uitkomsten, die niet is ontworpen om aan inwoners te laten zien waar hun warmte vandaan komt. Als de gemeente schrijft dat de herkomst “altijd herleidbaar” is, dan klopt dat – voor de certificeerder. Niet voor de inwoner die wil weten wat er door zijn radiator stroomt.
Wat er op de terreinen ligt
Hoe die papieren werkelijkheid zich verhoudt tot de fysieke, bleek toen ik de opslaglocaties in de keten zelf onaangekondigd bezocht: het terrein in Hall, de twee terreinen in Ede en de nieuwe locatie in Zeewolde. Een toeleverancier in Lienden bezocht ik op afspraak. Het beeld was overal vergelijkbaar. Het overgrote deel van de biomassa lag onafgedekt in weer en wind: grote hopen shreds – versnipperd, gemengd snoeiafval van lage kwaliteit – naast kleinere partijen chips, houtblokjes van beter hout. Doorweekte stapels, snoeiafval met zand erdoorheen, hier en daar sporen van broei. Volgens het Better Biomass-register, op het inmiddels afgestoten terrein in Hall na, allemaal keurig gecertificeerde locaties.
Een interne bron bij het bedrijf verklaarde dat het snoeiafval van lage kwaliteit wordt ‘opgemengd’ met beter materiaal om het toch te kunnen verbranden – slecht voor de ketels, minder warmte, maar: “Het is een geldkwestie. Voor de chips betaal je meer dan voor de shreds.”
Die open opslag is geen detail. Na het kletsnatte najaar van 2023 waren de snippers zo nat dat de Edese centrales in januari 2024 uitvielen en 2.000 huishoudens dagenlang in de kou zaten. Het bedrijf weet dat aan het weer. Maar de regels schrijven voor dat dit soort opslag in de wintermaanden tegen inregenen wordt beschermd – en op de bezochte terreinen ontbrak die bescherming vrijwel overal; op één hoop lag een strook doek die half was weggewaaid. Wat het bedrijf als overmacht presenteert, is dus vooral onachtzaamheid: hout dat je maandenlang onbeschermd buiten laat liggen, wórdt nat. Dit gaat om één en dezelfde aanvoerketen, die alle installaties van Energie voor Elkaar bedient – die in Ede én die in Amersfoort, zoals de snippers uit Hall bewezen.

Bomen uit Schotland
Hoe het systeem uitpakt als het echt misgaat, bleek in september 2025. Omroep Gelderland onthulde, voortbouwend op mijn onderzoek, dat Energie voor Elkaar in april 2022 een partij stamhout in Schotland had gekocht waarvan de exacte herkomst niet traceerbaar was, bij een verkoper zonder NTA 8080-certificering. Het concern had dat drie jaar lang verzwegen. Pas toen de reconstructie op tafel lag, kwam er een verklaring.
Voor Amersfoort luidde die verklaring: hier is dat hout niet verbrand. De installaties die de stad in 2022 verwarmden – door het bedrijf zelf ‘tijdelijke installaties’ genoemd – draaiden volgens datzelfde bedrijf op “andere typen bio-grondstoffen”. Dat kan waar zijn. Maar wie kan het vaststellen? Het college erkende in dezelfde beantwoording dat het “geen bevoegd gezag” is op de herkomst van het hout, en dat de verzekering berust op een gesprek waarin de directie haar eigen verklaring “mondeling bevestigd en toegelicht” heeft.
Dezelfde route als altijd: het bedrijf controleert zichzelf, de gemeente geeft het door. Het college gaf overigens al in februari 2024 toe dat de herkomstinformatie door de groei van het warmtenet “diffuser” wordt. Eerlijk is eerlijk: aan de reguliere audit werkte het bedrijf gewoon mee, en het certificaat werd met de gemeente gedeeld. Maar Hall en Schotland zaten óók onder dat regime – en kwamen allebei niet door controle aan het licht, maar door journalistiek.
De rechter wil verder kijken dan papier
Dat de herkomstvraag meer is dan een duurzaamheidsdiscussie, bleek dit voorjaar uit een rechtszaak in Gelderland. Milieuorganisatie MOB spande een procedure aan over een biomassacentrale van hetzelfde concern in Ede, en de rechtbank oordeelde dat de provincie opnieuw moet onderzoeken waar de biomassa vandaan komt – en dat ze daarvoor verder moet kijken dan alleen de contracten met leveranciers. Waarom dat ertoe doet: als het verstookte materiaal juridisch als afval geldt, valt de centrale onder de veel strengere Europese regels voor afvalverbranding.
“Dit was bedoeld als proefproces,” zei jurist Stijn van Uffelen, die MOB bijstond. “De vraag of Europese regels voor afvalverbranding van toepassing zijn, speelt op meer plekken.” Hij wees ook op een patroon: “Bij biomassacentrales zie je vaker dat installaties net onder die grens worden gebouwd” – de grens van 15 megawatt waarboven strengere vergunningseisen gelden. “Maar Europese regels kijken niet alleen naar het vermogen, maar ook naar de hoeveelheid materiaal die wordt verbrand.” De Amersfoortse centrales hebben ketels van elk 14,6 megawatt.
Zo komt alles samen: de herkomst van het hout bepaalt niet alleen of het warmtenet groen mag heten, maar mogelijk ook onder welke milieuregels de centrales vallen. En uitgerekend die herkomst is het best bewaakte geheim van de keten.
Wat betekent dit voor de Amersfoorter die de vraag krijgt of hij zich wil aansluiten op het warmtenet? Dat de duurzaamheid van zijn warmte rust op een papieren werkelijkheid die hij niet mag inzien. In deel drie bekijken we wat er nog meer bij die aansluiting komt kijken: de prijs, de kleine lettertjes, en wat er gebeurt als de warmte uitvalt.
WAT GARANDEERT HET CERTIFICAAT?
Wel: een jaarlijkse administratieve controle van de papierstroom; aangemelde opslaglocaties; een CO₂-berekening van het transport; correctie van onterechte claims.
Niet: fysieke controle van wat er werkelijk de ketels in gaat; een maximale afstand (‘lokaal’ is geen eis); openbaarheid van herkomst of onderzoeksrapporten; zekerheid tegen fraude. De controle wordt betaald door het gecontroleerde bedrijf zelf – “de manier waarop privaat toezicht werkt in Nederland”, aldus de certificeerder.
Dit is het tweede deel in een reeks van vier artikelen van onderzoeksjournalist Marc van der Woude over de Amersfoortse warmtetransitie, een vervolg op het drieluik uit 2023. Hij volgt de ontwikkelingen al ruim vier jaar, voor zowel onderzoeksplatform de Edese Vos als De Stadsbron. Een eerdere onderzoeksreeks van zijn hand werd in 2025 genomineerd voor De Loep, de prijs voor de beste onderzoeksjournalistiek in Nederland en Vlaanderen. Het onderzoek is mede gefinancierd door het Mediafonds Amersfoort en het Mediafonds Provincie Utrecht, maar onafhankelijk uitgevoerd in samenwerking met De Stadsbron.






Schrijf een reactie
Iedereen is welkom om te reageren. We modereren wel op basis van onze reactieregels.