Wie betaalt de Edese aardwarmteboring, wie draagt de financiële risico’s en wat gebeurt er als de subsidie afloopt? En komen we eigenlijk wel van de biomassa af?
Uit de vergunningstukken blijkt dat het project zwaar leunt op overheidsgeld, terwijl de Rijksoverheid via staatsbedrijf EBN zelf financieel betrokken is. De Edese Vos zet de belangrijkste financiële bevindingen uit het dossier op een rij.
De dubbelrol van de staat
De boorplannen zijn in handen van een consortium van Gaia Energy B.V. en MPD Groene Energie (het voormalige moederbedrijf achter het Edese Warmtebedrijf). Wat opvalt bij bestudering van de documenten, is de rol van Energie Beheer Nederland (EBN). Dit staatsbedrijf is in deze fase formeel nog geen vergunning- of aandeelhouder, maar financiert wel 40% van de projectkosten mee voor eigen rekening en risico.
Hierdoor ontstaat een bijzondere situatie: het ministerie van Economische Zaken en Klimaat moet de startvergunning onafhankelijk beoordelen, terwijl de Staat via EBN bovendien zelf meefinanciert aan het project.
Weggelakte miljoenen en een prestatiesubsidie
Wie die financiële onderbouwing van het project wil controleren, loopt direct tegen zwarte balken aan. In de openbare startvergunning zijn vrijwel alle concrete bedragen weggelakt. De totale investeringskosten voor de boortoren, de verwachte winst (projectrentabiliteit) en de operationele kosten blijven daardoor onbekend.
Wat wel duidelijk in de documenten staat, is dat het project voor de exploitatie zwaar afhankelijk is van overheidssteun. Voor het project is een SDE++-beschikking afgegeven van maximaal 74,2 miljoen euro.
Hoe werkt deze subsidie in de praktijk? Het is geen zak geld die de initiatiefnemer vooraf op de bankrekening gestort krijgt. Het gaat om een zogeheten exploitatiesubsidie die uitsluitend wordt toegekend op basis van de warmte die daadwerkelijk wordt geproduceerd en geleverd, gerekend met ruim 70.000 Megawattuur aan subsidiabele warmte per jaar. Deze financiële garantie op de warmtelevering is toegekend voor een maximale periode van vijftien jaar.

De subsidieklif: na vijftien jaar verlieslatend
De afhankelijkheid van deze tijdelijke subsidie vormt een fundamenteel risico, zo waarschuwt de onafhankelijke Mijnraad. Het aardwarmteproject is ontworpen om minimaal dertig jaar warmte te leveren. De toezichthouder is in haar advies echter klip-en-klaar: na het wegvallen van de subsidie in jaar zestien zullen de operationele kosten – onder meer door het stroomverbruik van de benodigde warmtepompen – hoger zijn dan de opbrengsten uit de warmteverkoop. Omdat het project zonder subsidie simpelweg verlieslatend wordt, waarschuwt de Mijnraad dat de kans bestaat dat aandeelhouders besluiten om het project na vijftien jaar te beëindigen.
Als het bedrijf er inderdaad voortijdig de stekker uittrekt, moeten de kilometersdiepe putten definitief worden afgesloten en veilig worden achtergelaten. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) concludeerde dat de financiële reservering voor die opruimkosten in de plannen “verder niet onderbouwd” was. De minister heeft de ontwikkelaars daarom opgelegd om vanaf de start van de productie een “toereikende financiële reserve op te bouwen”, zodat de belastingbetaler in de toekomst niet achterblijft met de ontmantelingskosten van een verlaten put.
De harde realiteit: terugval op biomassa
Als het aardwarmteproject na vijftien jaar stilvalt, of de energievraag in Ede verder stijgt, dreigt de gemeente alsnog afhankelijk te blijven van de omstreden biomassa. Volgens de plannen is de aardwarmte bedoeld om de houtstook door Bio-Energie De Vallei deels te vervangen. De capaciteit van deze ene aardwarmtebron (ongeveer 9,6 tot 11,75 Megawatt) is echter bij lange na niet genoeg om de totale Edese warmtevraag van het net te dekken, dat momenteel volgens de vergunningstukken circa 20.000 woningen van warmte voorziet.
De initiatiefnemer geeft in het eigen bedrijfsplan bovendien toe dat het onzeker is of biomassa wel echt verdwijnt. In de documenten staat letterlijk: “Als de huidige groeitrend van energievraag doorzet, dan zou het aandeel biogrondstoffen kunnen toenemen indien er geen alternatieve duurzame bron beschikbaar is”. Ook voor de productie van stoom blijft het bedrijf in haar prognoses voorlopig leunen op biogrondstoffen. Zonder concreet zicht op de grootschalige uitrol van meerdere nieuwe aardwarmtebronnen, blijven de rokende schoorsteen van de biomassacentrales dus het onvermijdelijke vangnet voor Ede.
Dit artikel is het laatste deel van een serie over het aardwarmteproject Ede. Alle delen kun je nalezen in ons onderzoeksdossier Warmtebedrijf Ede. Belanghebbenden kunnen nog tot en met 13 augustus 2026 een zienswijze indienen op het ontwerpbesluit voor de startvergunning.






Schrijf een reactie
Iedereen is welkom om te reageren. We modereren wel op basis van onze reactieregels.